| Historie |
De ontstaansgeschiedenis van de NSOHet is 1989, ten tijde van het 2e Kabinet Lubbers. Binnen het Ministerie van Onderwijs zien de eerste ideeën het licht over deregulering en het vergroten van autonomie van scholen. Het ligt in de bedoeling om eerst de scholen in het Hoger Onderwijs aan te pakken en deze middels fusies te vergroten. De tweede slag is meer autonomie, financiële verzelfstandiging en het voeren van eigen beleid. Zowel de schoolleiders als de ambtelijke top beseffen dat daarmee andere eisen op het gebied van management worden gesteld. Deze behelzen meer dan een accentverschuiving, hier is een drastische omschakeling vereist naar leiderschap. Peter Karstanje* is op dat moment Beleidsadviseur en gedetacheerd bij de Universiteit van Amsterdam. Hij vindt Fons van Wieringen** op zijn weg, die op dat moment Hoogleraar Onderwijskunde is en voormalig directeur vernieuwingen op het Ministerie van Onderwijs. Gezamenlijk maken zij project- en budgetvoorstellen, waarbij het accent in eerste instantie wordt gelegd op richtlijnen omtrent benoemingen. De eerste contouren van een volwaardige opleiding Onderwijsmanagement tekenen zich af. Masteropleiding Onderwijsmanagement, een gezamenlijke inspanningVanaf de start wordt ingezien dat een bundeling van know-how gewenst is. Voor het eerst in de geschiedenis wordt een stuurgroep samengesteld, waarin universiteiten van alle gezindten en stromingen vertegenwoordigd zijn; namelijk de Vrije Universiteit, de Universiteit van Amsterdam, De Katholieke universiteit Nijmegen en de universiteiten van Utrecht en Leiden. In een gezamenlijke inspanning met ervaren schoolleiders, consultants en organisatie-kundigen ligt na een korte voorbereiding de programmafilosofie op tafel. Een compleet programma, gefundeerd in de praktijk en de theorie, waarin theorie, kennis en vaardigheden voor het eerst in samenhang met persoonlijkheidsontwikkeling worden gepresenteerd, met bovendien specifieke aandacht voor vaardigheden buiten het pedagogische veld, zoals conflicthantering en emancipatie. Het docentencorps wordt gerekruteerd uit dezelfde mix van Universitair en HBO onderwijs, consultancy en managementpraktijken. Als leermodel wordt gekozen voor interactiviteit, aansluitend bij ervaring en gericht op leren van elkaar. Van iedere module verschijnt een heldere synopsis, met voorbeelden en voorschriften per module. Post-academisch, met eigen financiële bijdrageHet geloof in dit project en de aanpak werkt aanstekelijk. Vanaf het begin heeft de masteropleiding de status post-academische opleiding. De overheid besluit subsidie te verlenen: gedurende 5 jaar zal 50% in de opleidingskosten worden bijgedragen. Vernieuwend, temeer omdat voor deze studie zo’n fl. 10.000,00 geïnvesteerd moet worden, waarbij de cursist voor het eerst een eigen bijdrage verschuldigd is. Zodra de subsidie na 5 jaar wordt gestopt, halveert de deelname tot één groep per jaar. Assessments en kwalificatieplicht doen hun intrede, teneinde de instroom VO - MBO in balans te houden. In het streven naar de accreditatie van de NVAO wordt een sterk staaltje zelfkritiek beloond. Het resulteert o.a. in het aanbieden van Maatwerk. Grenzenloos leiderschapDe drang naar vernieuwing nestelt zich definitief in de genen. De NSO filosofie kenmerkt zich door het bij voortduring streven naar verbetering, kruisbestuiving tussen praktijk en theorie en het koppelen van ervaringen aan competenties. Een aanpak die zich ook over de grenzen bewijst. Het NSO-concept vindt haar weg in internationale programma’s wereldwijd. Deze zullen de komende jaren in detail worden beschreven en uitgewerkt.
[Uit: interview met Peter Karstanje, de eerste directeur van de NSO (1989-2010), 8 oktober 2010] *Dr. P.N. Karstanje geeft binnen de NSO leiding aan de internationale projecten. **Prof. Dr. A.M.L. van Wieringen is voorzitter van de Onderwijsraad en daarnaast als Hoogleraar Onderwijskunde in het bijzonder beleid, bestuur en beheer verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.
|










